Palimpsest

De Geheime Oorsprong van de Islam

Achtergronden van het verhaal

 Alle genoemde plaatsen en gebouwen in het boek bestaan echt. Van de vergaderzaal in Crystal City tot Filiz’ woning in Leiden, ze bestaan allemaal echt. Het klooster Mor Gabriel bestaat sinds 397 en is er gelukkig nog steeds: het is absoluut een bezoek waard.

In de introductie van Palimpsest is verder aangegeven dat de figurerende personages in Palimpsest volledig fictief zijn maar dat de onderliggende feiten dat niet zijn. Dit roept echter de vraag op wat de werkelijke ‘feiten’ zijn en welk deel fictief is? Dit is een belangrijke vraag, vooral omdat de gevolgen van deze ‘feiten’ wezenlijk en ingrijpend kunnen zijn.

In het nawoord van het Palimpsest is een overzicht opgenomen hoe er op dit moment in de wetenschap, die niet a priori de islamitische lezing van de geschiedenis volgt, wordt geoordeeld over het ontstaan van de islam. Aan bod komen de oorsprong van de Koran, de historiciteit van Mohammed en het Mekka in de zevende eeuw bij het ontstaan van de religie. Hieronder een verkorte weergave van deze onderwerpen.


De oorsprong van de Koran

Gelovige moslims gaan ervan uit dat de Koran door de aartsengel Gabriel bij de profeet Mohammed is ingefluisterd. Mohammed was analfabeet, maar dat was geen probleem. In die tijd gold de mondelinge overlevering als de belangrijkste vorm van verspreiding van verhalen. Er waren metgezellen van Mohammed die de gehele Koran, 114 losse gedichten of soera’s, uit hun hoofd kenden. Deze mensen worden aangeduid met de titel ‘hafiz’.

Maar een religie bouwen op verhalen in de hoofden van een paar getrouwen is riskant: verhalen veranderen in de loop van de tijd als bij het bekende telefoonspel. Kort na de dood van Mohammed braken gevechten uit tussen Mohammed-getrou- wen en -tegenstanders. Bij de daaropvolgende slag om Yamama in 632 kwamen volgens de overleveringen achthonderd van deze ‘hafizen’ om. Dat roept natuurlijk de vraag op hoeveel van Mohammeds verhalen uiteindelijk zijn onthouden. Dit deed in ieder geval de tweede kalief Omar (Omar ibn al-Khattab) besluiten om een en ander op schrift te stellen.

De soera’s bevatten opvallend veel oud- en nieuwtestamentische fragmenten. Wetenschappers kunnen diverse tekstdelen aanwijzen die overeenstemming hebben met het oude of nieuwe testament. Zoals in Palimpsest al is beschreven, komen de namen van Abraham, Moses, en Jesus veelvuldig voor. Ook zijn soms bekende legendes uit de tijd en regio opgenomen, zoals de legende van de Zevenslapers van Efeze en verhalen over Alexander de Grote (beide in soera 18, De Grot).

De Duitse wetenschapper Gerd R. Puin kreeg de mogelijkheid om zeer oude resten van Korans te onderzoeken die gevonden waren onder het dak van een moskee in Sanaa, Jemen. Zijn studie ( Observations on Early Qur’an manuscripts in Sana’a, in the Qur’an as text, 1996) bracht hem tot de conclusie dat de Koran een ‘cocktail van teksten’ is, waarvan sommige misschien al honderd jaar voor Mohammed bestonden.

In de zesde eeuw, de tijd van de geboorte van de profeet Mohammed, was het Aramees de meest gebruikte taal in het Midden-Oosten. Dat was het al vele eeuwen en het was ook de taal die Jezus zou hebben gesproken. In de zevende eeuw is het Aramees verdrongen door het Arabisch. Deze taal was tot de zevende eeuw vrijwel uitsluitend een gesproken taal. Er is pre-koranische Arabische poëzie op schrift, maar het vocabulaire is anders dan dat van de Koran.

Sommige teksten van de Koran zijn in het Arabisch onbegrijpelijk. Veel Koran-geleerden hebben pogingen gedaan om deze teksten te verklaren. In 2000 verscheen van de hand van Christoph Luxenberg, een onder een pseudoniem werkende (waarschijnlijk Duitse/Libanese) geleerde, het boek Die Syro-Aramäische Lesart des Koran (Ein Beitrag zur Entschlüsselung der Qur’ansprache, Berlin, 2004) waarin hij de ontstaansgeschiedenis van de Koran op een andere wijze benaderde dan die van de gebruikelijke islamitische tekstanalyse.

Hij kwam daarbij tot onder andere de volgende stellingnames:

1. De Koran kan oorspronkelijk geschreven zijn in een Arabisch-Syrische mengtaal. Dit zou de voertaal zijn geweest in de streken waar Mohammed vandaan kwam.

2. De oudste vormen van geschreven Arabisch kenden geen puntjes op of onder letters (diakritische tekens) waardoor woorden voor velerlei uitleg vatbaar zijn. Bij de latere codificatie (voorzien van leestekens) van de Koran werd ervan uitgegaan dat de taal zuiver Arabisch was. Dit resulteerde in herinterpretaties van de tekst en het foutief toevoegen van letter- en klinker-tekens, waardoor de betekenis veranderde.

3. In de mondelinge overlevering van de tekst van de Koran moet een hiaat gezeten hebben, anders waren dergelijke fouten niet ontstaan.

4. De Koran is in essentie gebaseerd op christelijke teksten, waarschijnlijk een lectionarium, een boek met schriftlezingen, bedoeld voor de eredienst: een liturgie.

Met deze uitgangpunten weet Luxenberg veel onbegrijpelijke passages uit de Koran te herleiden tot hun Syrische/Aramese betekenis. In zijn boek werkt Luxenberg een zestigtal voorbeelden uit. De in Palimpsest gebruikte Koran-ontdekkingen zijn gebaseerd op Luxenbergs werk. Er is onder deskundigen veel bijval, maar ook kritiek op Luxenbergs werk. De kern van zijn benadering blijft evenwel ook onder deze kritiek overeind.


 

 Over de oorsprong van de Koran (Engels)




Historiciteit van Mohammed

Voor de gelovige moslim is de historiciteit van Mohammed geen onderwerp van discussie: natuurlijk heeft hij geleefd en is hij bovendien het perfecte voorbeeld voor ieder mens. Er zijn immers zo veel getuigen van zijn daden. Zo schreef de Franse geleerde Ernest Renan in 1851 dat, in tegenstelling tot andere stichters van wereldreligies, de profeet Mohammed ‘was geboren in het volle licht van de historie’ (L’islam naît en pleine histoire). Dit beeld is onder moderne historici en onderzoekers aan het verschuiven. Hoe meer wordt onderzocht, hoe meer twijfel er ontstaat over het bestaan van de persoon Mohammed.

Een goed voorbeeld hiervan is de Duitser Muhammed Sven Kalisch (1966) hoog- leraar Islamitische Studies aan de universiteit van Münster, een van de oudste en meest gerespecteerde Duitse universiteiten. Kalisch is in zijn jeugd in de ban geraakt van de islam en op zijn vijftiende toegetreden tot deze religie. Hij was de eerste hoogleraar islamitische Studies van de faculteit. Toen Prof. Kalisch zijn theologieleerstoel bekleedde, werd hij gezien als het bewijs dat de moderne westerse wetenschap en islam zich kunnen verenigen. Hij kreeg de leiding over een nieuw programma in Münster, waarbij hij onder andere leraren op staatsscholen zou opleiden om moslimleerlingen over hun geloof te onderwijzen. Hierdoor was er hoop dat dit de invloed van radicale predikers in Duitsland zou kunnen tegengaan. Kalisch was het paradepaardje voor zowel de universiteit van Münster als de moslimgemeenschap.

In zijn studie kwam hij werken tegen die het historische bestaan van Abraham, Mozes en Jezus in twijfel trokken. Hierop vroeg Kalisch zich af hoe zijn eigen religie een dergelijke kritische benadering zou doorstaan. ‘Kan ik aannemen dat het vanzelfsprekend is dat Mohammed bestond,’ vroeg hij zich af. Hij had aanvankelijk geen enkele twijfel, maar langzaam ontstond deze toch. De eerste twijfel ontstond toen hij zich realiseerde dat de oudste munten met de naam van Mohammed erop pas aan het eind van de zevende eeuw verschenen, zestig jaar na de veronderstelde dood van de profeet. In zijn werk vond hij aansluiting bij geleerden in Saarbrücken, met wie hij veel denkbeelden bleek te delen. Zij waren in die jaren openlijk sceptisch over de historiciteit van Mohammed. Zij beweerden dat ‘Mohammed’ niet de naam van een persoon was geweest, maar een titel, en dat de islam ooit begon als een vorm van christelijke ketterij.

Voor Prof. Kalisch waren die opvattingen in 2007 een brug te ver. In een bijdrage aan een boek over de islam, woog hij de kansen af en noemde hij het bestaan van Mohammed ‘meer [wel] waarschijnlijk dan niet’. Begin 2008 was zijn denken echter verschoven. ‘Hoe meer ik las, hoe meer de historische persoon aan de basis van het geheel onwaarschijnlijk werd,’ zei hij. Deze uitspraak heeft veel beroering veroorzaakt. In 2010 verliet hij de islam.

 

Mekka als geboorteplaats van de islam

Mekka speelt een belangrijke rol in het leven van iedere moslim. Tot één van de verplichtingen behoort het vijf keer per dag bidden in de richting van die stad. Het is de stad waar Mohammed vandaan zou komen en waar hij in de periode van 570 tot 622 zou hebben gewoond. Ook heeft hij hier zijn eerste Koran-soera’s ontvangen van de engel Gabriel. Maar er is een aantal problemen met de historiciteit van Mekka als stad en als religieus centrum.

Allereerst is er een probleem met de in de Koran beschreven omgeving van Mekka. In de Koran worden 64 keer volkeren genoemd in relatie tot geografische plaatsen. Zo worden genoemd de Ad, de Nabateeërs en Midianiten. Omdat ze zo vaak worden vermeld, moeten dit belangrijke beschavingen zijn voor de schrijver van de Koran. Het zijn echter allemaal volkeren die zich meer dan duizend kilometer ten noorden van Mekka bevonden. Dit wekt de verdenking dat het oorspronkelijke verhaal zich in een andere omgeving afspeelde.

In de Koran komen ook diverse locatiebeschrijvingen voor van de plaats ‘Mekka’. Er zou een vallei zijn tussen twee bergen vanwaar je goed overzicht hebt over de omgeving. Deze twee ‘bergen’, Safa en Marwa, bevinden zich nu binnen het gebouwencomplex waar de Kaäba staat. Vrijwel alle bezoekers van Mekka die de beschrijving van de plaats uit de Koran kennen, zijn gedesillusioneerd als ze de ‘bergen’ zien waartussen volgens het verhaal Hagar, de verstoten vrouw van Abraham, zeven keer heen en weer rende. Slechts met veel fantasie vallen twee heuveltjes te onderscheiden. Ook de vallei met een waterstroom ontbreekt. De beschreven geometrie past echter verrassend goed bij Petra in Jordanië.

Ook zijn er tal van passages in de Hadith waar karavanen worden vermeld die komen en gaan naar Mekka. Ook Mohammeds oom en zijn eerste vrouw Khadija verdienden hun geld met handel via kamelenkaravanen. Later in zijn carrière zou Mohammed vanuit zijn nieuwe woonplaats Medina nog Mekkaanse karavanen hebben overvallen die ‘...wel uit drieduizend mannen bestonden...’. Contemporaine historici hebben hier veel twijfels bij.

Dr. Patricia Crone (Meccan Trade and the Rise of Islam, Princeton, U.S.A: Princeton University Press, 1987) maakt de volgende kanttekening:

Mekka was een kale plek en dorre plaats en vormde geen natuurlijke halteplaatsen, zeker niet als op korte afstand bekende, groene omgevingen gevonden worden. Waarom zouden karavanen een steile afdaling naar de dorre gebieden van Mekka moeten maken, terwijl ze bij Ta’if hadden kunnen stoppen? Mekka had natuurlijk zowel een waterput als een heiligdom, maar Ta’if had die ook, maar [die plaats had] bovendien ook voedsel. (pagina 6-7)

Verder vraagt Dr. Crone: Welke handelswaren waren er in Arabië beschikbaar die over zo’n afstand door zo’n onherbergzaam milieu konden worden getransporteerd en nog steeds verkocht konden worden met een winst die groot genoeg was om de groei van een stad te ondersteunen op een perifere plaats waar geen natuurlijke hulpbronnen waren? (pagina7).

Ook wordt Mekka in de islamitische bronnen beschreven als een plaats waar gras en bomen groeiden en een grote bevolking kon bestaan van de landopbrengsten. Het is moeilijk te geloven dat dit geschreven is over de plaats Mekka die we tegenwoordig kennen, aangezien het gebied rond Mekka volledig woestijn is waar geen gras op natuurlijke wijze groeit en er zijn ook geen aanwijzingen dat het gebied ooit geïrrigeerd is geweest. In Mekka valt gemiddeld minder dan elf centimeter regen per jaar (in Nederland is dat 76,5 cm). Met zijn hoge woestijntemperaturen en barre omstandigheden is dit nauwelijks genoeg om vegetatie te laten groeien, laat staan voldoende voedsel te kweken om een grote bevolking te ondersteunen.

Verder zou men verwachten dat een grote en belangrijke handelsstad op het Arabische schiereiland op vroege kaarten ver- meld zou zijn. De bekende kaarten uit die tijd toonden nooit alle dorpen en nederzettingen, maar probeerden zeker belangrijke en beroemde steden juist te plaatsen.

Dan Gibson (Qur’ānic Geography - A survey and evaluation of the geographical references in the Qur’ān with suggested solutions for various problems and issues. Independent Scholar’s Press, 2011) heeft veel onderzoek gedaan naar de vroege geschiedenis van Mekka. Hij heeft in de loop van de tijd veel oude kaarten verzameld van het Arabisch schiereiland. Maar op geen enkele kaart eerder dan het jaar 900 na Christus vond hij een plaats met de naam Mekka vermeld. Een vaak geciteerd voorbeeld hiervan is de kaart van het Arabische continent van Ptolemaeus.  De de naam ‘Mekka’ wordt nooit schriftelijk vermeld vóór het jaar 740, dus ruim honderd jaar na de dood van Mohammed. De eerste vermelding is in de Continuatio Byzantia Arabica (De Kroniek van 741, of ook wel de Continuatio Isidoriana genoemd) een Islamitisch werk dat gedateerd wordt op circa 744.

Een andere belangrijke aanwijzing over de ontstaanslocatie van de islam is de bidrichting. De richting waarheen de gelovige moslim bidt wordt ‘qibla’ genoemd. In een moskee wordt deze richting aangegeven door een nis in de muur die mihrab heet. De oriëntatie van die mihrabs in de alleroudste moskeeën, die al bestonden in de eerste negentig jaar van de islam, was stee- vast precies op de Jordaanse plaats Petra gericht. Na het jaar 724 draaien de eerste nieuw opgerichte moskeeën richting Mekka. Pas na het jaar 822 zijn alle moskeeën zonder enige uitzondering op Mekka uitgelijnd.





Over de plaats waar de islam is ontstaan (Engels met Arabische ondertitels)